Rutger Bregman: 'Het verleden is een grabbelton'
Actuele lessen trekken uit het verleden is voor geschiedkundigen taboe. Historicus Rutger Bregman is daar echter wars van. Zijn debuut 'Met de kennis van toen' steunt volledig op dwarsverbanden tussen verleden en heden.
Tekst: Mickey Steijaert Foto: Jaap Baarends
Als Rutger Bregman eetcafé ’t Oude Pothuys in Utrecht binnenloopt, blijkt hij in niets te voldoen aan het stereotype van stoffige geschiedkundigen. Bij een historicus die doceert aan de Universiteit Utrecht, twee boeken op zijn naam heeft staan en voor onder meer de Volkskrant, NRC Next en De Groene Amsterdammer schrijft denk je niet aan een 23-jarige blonde knaap. Geconfronteerd met het beeld van historici als bejaarde archivarissen lacht hij: ‘Een goed historicus weet natuurlijk heel veel. En wanneer weet je veel? Als je oud bent, dat lijkt me logisch.’ De jongeling volgde zijn geschiedenisstudie in de Domstad. Tijdens zijn studententijd publiceerde een kleine uitgever het boekje Hoe haal ik mijn Tentamen?, dat Bregman naar eigen zeggen in een weekend had geschreven. Zijn tweede boek, Met de kennis van toen, wordt door de meeste recensenten dan ook als zijn echte debuut beschouwd. In de duimdikke bundel plaatst Bregman actuele zaken in een historisch perspectief, van vergelijkingen tussen Wilders en Hitler tot de geschiedenis van het schelden. Bregman: ‘Wat Rob Wijnberg deed met filosofie in zijn boek Nietzsche en Kant lezen de krant probeer ik te doen met geschiedenis: uit een onverwachte invalshoek een verrassende conclusie voortbrengen. Het is een model waarin je veel details weglaat maar waarmee je een breed publiek aanspreekt.’
Hoe kwam je tot de keuze voor de verschillende onderwerpen? ‘Het zijn voornamelijk zaken die ik zelf leuk en interessant vind. Ik heb een behoorlijk gevulde boekenkast voor een 23-jarige, daar zoek ik verhalen uit om te verbinden met de actualiteit. Daarnaast laat ik me leiden door recente gebeurtenissen, zo besefte ik na verloop van tijd dat er nog niets over Wikileaks in mijn boek stond. Daar verdiepte ik me toen alsnog in.’
Hoe bepaal je vervolgens de relevante historische context bij het onderwerp? ‘Als modern historicus beperk ik me vooral tot de negentiende en twintigste eeuw. Een vergelijking met de eeuwen daarvoor komt al snel geforceerd over, de verschillen met tegenwoordig worden daar wel erg groot. Ik probeer in mijn boek bijvoorbeeld een parallel te vinden tussen de huidige beroemdheidcultus en de klassieke heldenverering. In beide gevallen is er sprake van een zoektocht naar rolmodellen. Justin Bieber zou dan bijvoorbeeld de moderne Paris van Troje uit de Ilias zijn. Zo’n mietje dat alle vrouwen krijgt.’
De prijs voor toegankelijkheid Bregman koestert weinig illusies over zijn boek. ‘Het is geen baanbrekend onderzoek waarin ik dingen vertel die nog nooit iemand heeft bedacht. Ik bespreek slechts inzichten die historici al veel eerder hebben opgedaan, maar die ze niet fatsoenlijk bij het grote publiek presenteren.’ Dit kwam Bregman op enige kritiek te staan. Het geringe aantal pagina’s dat hij aan ieder onderwerp besteedt, biedt erg weinig ruimte voor het uiteenzetten van de historische context. Bregman reageert gelaten: ‘Het is nooit mijn doelstelling geweest om al te diepgravend te zijn. Dat is de prijs die ik betaal voor het toegankelijk maken van geschiedenis.’ Die publieke aandacht voor het verleden is nodig, meent Bregman. Historici mengen zich volgens hem te weinig in het maatschappelijke debat: ‘De geschiedkunde heeft zich in een keurslijf van wetenschappelijke degelijkheid gewrongen. Vanaf hun allereerste college leren geschiedenisstudenten dat er geen lessen voor het heden uit het verleden kunnen worden getrokken. Die twee werelden zouden te veel van elkaar verschillen.’ Bregman verzet zich tezamen met ‘showprofessors’ als Maarten van Rossem tegen dit dogma. ‘Soms is het goed om uit te zoomen en het actuele debat in een ander perspectief te plaatsen. Vaak kom je dan op een originele gedachte. Dat probeer ik ook in Met de kennis van toen te doen.’ Volgens Bregman maken deze ‘verrek-momenten’ de verhalen uit zijn boek zinvol. ‘Te veel mensen zien het verleden als een grijze, homogene massa. Als historicus probeer je duidelijk te maken dat het juist een enorm gelaagd geheel is.’ Een voor de hand liggend voorbeeld haalt Bregman uit het immigratiedebat. ‘Populistische lui als Geert Wilders verwijzen in hun anti-islamretoriek graag naar de typisch Hollandse VOC-cultuur. Nederland beleefde haar multiculturele hoogtepunt echter in de zeventiende eeuw, toen de helft van de inwoners van Amsterdam allochtoon was. De VOC werd voor 80 procent met vreemd geld gefinancierd. Die hele VOC-flow bestond uit buitenlanders.’
Hoe relateer jij de VOC aan het huidige debat? ‘De houding ten opzichte van allochtonen kenmerkte zich in de zeventiende eeuw door een grote onverschilligheid. Zolang er maar aan iemand te verdienen viel, vonden we het prima. Door middel van onderwijs en moderniseringsprocessen zijn deze buitenlanders na verloop van tijd vanzelf geïntegreerd. Volgens mij is die nonchalante houding een wijze les. Tegenwoordig probeert links de verschillen te lijmen en benadrukken rechtse politici de problemen, terwijl onverschilligheid ook een oplossing kan zijn.’
Die onverschilligheid was toch logisch? Er was destijds immers nog amper sprake van een nationale identiteit, dus kon die ook niet worden bedreigd. ‘Dat is waar, maar is die nationale identiteit er nu wel? Er wordt weinig eenheidsgevoel ontleend aan wat volgens mij de crux van de Nederlandse identiteit is, onze gezamenlijke taal. Met de identiteit wordt meer op een nostalgische, mythische manier omgegaan. Er bestaan weinig specifiek Nederlandse kenmerken, in principe zijn wij niet substantieel anders dan bijvoorbeeld Belgen of Denen.’
Zijn er geen enkele historische waarden die Nederlanders kenmerken? ‘Nederland heeft zich lange tijd het gidsland genoemd, een natie die vooruitstrevend was in zaken als seksuele mores en euthanasie. Eigenlijk is dat een illusie, want in de negentiende eeuw waren wij juist het toppunt van kleinburgerlijkheid. Het is echter wel een nuttige illusie. Ik zou het mooi vinden als dat ideaal van een progressief en vooruitstrevend land terug kan komen. Met behulp van de geschiedenis kun je zo’n optimisme creëren.’
Dan zoek je een bepaald historisch feit om je standpunt te onderbouwen. Dat is precies hetzelfde als waar je de PVV om bekritiseert. ‘Dat is waar. In het hele boek span ik de geschiedenis voor mijn karretje. Het verleden is een grote grabbelton, voor elke mening is wel een onderbouwing te vinden. Neem de inval in Irak. Tegenstanders komen op de proppen met het verdrag van Wenen in 1919, waarbij veel te strenge maatregelen werden genomen tegen Duitsland. Hieruit zou je kunnen concluderen dat je niet te hard moet ingrijpen in dergelijke internationale problematiek. Voorstanders verwijzen echter naar 1938, toen de weinig doortastende appeasement-politiek van Chamberlain leidde tot de Tweede Wereldoorlog.’
Dat klinkt alsof je, zolang je maar een goede retoriek en kennis van geschiedenis hebt, elke willekeurige les uit het verleden kunt trekken. ‘Ja, maar ik vind de parallellen die ik trek beter dan die van de PVV.’
Wat maakt jouw parallellen dan beter? ‘Door publieke figuren wordt vaak niets anders gedaan dan dropping. Op die manier wordt het argument van appeasement ook in het immigratiedebat gebruikt. Men roept “Chamberlain!” en “appeasement!”, maar legt het verder niet uit. Dat moet je volgens mij juist wel doen.’
Bregman beseft zich dat zijn interpretaties van de geschiedenis niet per se de juiste zijn. ‘Daar probeer ik mijn lezers gevoelig voor te maken. Het verleden vergelijken met het heden is een rijke methode, misschien wel te rijk. Dat verklaart de reflex van historici, die menen dat niets te vergelijken is. Ik vind echter dat daar iets mee verloren gaat.’